Een aantal weken geleden was ik te gast in de podcast Gerjanne en Christine weten het ook (niet):
In de opmerkingen bij die aflevering van de podcast, las ik verschillende keren iets dat ik maar opvat als een gebrek aan aandacht voor het werk van de Geest, voor de ervaring van opnieuw geboren worden, of nog anders gezegd: ‘bevinding’. Hoewel de podcast zeker niet bedoeld was om die bevinding overbodig te verklaren, is het wel zo dat ik het ‘mogen aannemen’ van Christus niet afhankelijk maakte van een ervaring. Ik vond steun daarvoor in het werk van de gereformeerde zeventiende-eeuwse theoloog Gisbertus Voetius (1589-1676).
Zoals ik in een andere post op dit blog heb laten zien, kun je hedendaagse AI tools zoals Gemini of ChatGPT gebruiken om Latijnse teksten in het Nederlands te vertalen. Deze tools zijn daar verbazingwekkend goed in. Een disputatie van Voetius die ik al langer wilde bestuderen, is die met de Latijnse titel “De statu electorum ante conversionem”. In het Nederlands: over de staat van de uitverkorenen voor hun bekering. Ik heb die titel altijd fascinerend gevonden. Ik vermoedde ook dat Abraham Kuyper, die onder andere deze disputatie eind 19e eeuw opnieuw heeft uitgegeven, er steun in zou vinden voor zijn leer van de veronderstelde wedergeboorte, dus dat maakte de toch al interessante titel van deze disputatie nog interessanter. Vandaar dat ik Gemini gevraagd heb om voor mij een mooie parallelle editie te maken met aan de linkerkant de Latijnse tekst en aan de rechterkant een Nederlandse vertaling.
Hieronder vind je een PDF met het resultaat. Zoals gebruikelijk zijn alle disclaimers van toepassing die bij een AI editie en vertaling van toepassing zijn: er kunnen ernstige fouten zitten in zowel de Latijnse tekst als de Nederlandse vertaling:
Niet elke lezer zal interesse hebben in de hele disputatie. Het gaat mij om een citaat dat van toepassing is op de behoefte aan een ervaring als blijk van het werk van de Geest en als criterium voor de oprechtheid van iemands geloof. Voetius zegt daar het volgende over:
XV. Vraagstuk. Vindt elke daadwerkelijke bekering van uitverkorenen plaats met een merkbare schok, en gewelddadige trekking, wegrukking en overbrenging van het ene uiterste naar het andere, van de volkomen duisternis naar het licht, van het rijk van de duivel naar het rijk van Christus, van de wereld naar de kerk?
Of kan integendeel gezegd worden dat zeer veel uitverkorenen die in het verbond geboren zijn, vanaf de moederschoot geheiligd, vanaf de kindertijd in geloof en vroomheid opgevoed, het juk van de Heere vanaf hun jeugd gedragen hebben, en zo voortdurend, geleidelijk en op lieflijke wijze bekeerd zijn zonder plotselinge verandering of grote opmerkzaamheid (parateresei)?
Antwoord. Ontkennend op het eerste, bevestigend op het laatste, uit de voorbeelden van Timotheüs (2 Tim. 2:15), Samuël (1 Sam. 1 en 2), David (Psalm 71:5, 6), Job (hfst 31:18), die baby’s van wie melding wordt gemaakt in Psalm 8:3 vergel. met Matth. 21:16.
Ook de dagelijkse ervaring leert dat in het leven en de dood van sommige kinderen uitnemende vonken van geloof en vroomheid, naar verhouding van hun leeftijd, uitstralen. Ook ontbreken geen voorbeelden van hen die reeds vanaf hun kindertijd van geloof tot geloof, van deugd tot deugd zijn voortgegaan, zonder enig merkbaar afvallen in de geloofsbelijdenis, of onderbrekende gewoonte van zondigen, of een voorgewend masker van vroomheid.
Hiervan hangt de oplossing van het volgende vraagstuk af.
XVI. Vraagstuk. Kan op een solide en nauwkeurige wijze als een kenmerk (tekmerion) van ware vroomheid worden aangewezen de duidelijke waarneming en herinnering van de tijd en de wijze van iemands eerste bekering; omdat die met zoveel strijd, zoveel verandering en gekraak, op een zekere en gemerkte tijd in één keer voltooid zou zijn, zodat het de bekeerde niet kan ontgaan?
Antwoord. Zo stellen inderdaad sommige praktische theologen die in de geestelijke kentekenenleer boven anderen uitmunten; onder wie degenen die door hun geschriften schitteren, de uitnemende theoloog Robert Bolton is, in zijn vertoog over de ware gelukzaligheid, uitgegeven in het Engels en het Nederlands. Maar de waarheid van de zaak zelf en de noodzaak dwingen ons van hen te verschillen.
Aangezien dit kenmerk namelijk niet voor eenieder geldt, maar slechts opgaat voor de meeste bekeerden en niet voor allen, wordt het ten onrechte en bedrieglijk toegepast: men moet er zich dus van onthouden, opdat we niet de allerbeste gelovigen, die vanaf hun kindertijd de wereld vaarwel hebben gezegd en Christus zijn aangehangen, in twijfel en aanvechting storten.
Overigens bespreekt Voetius aan het einde van deze disputatie nog meer interessante thema’s, met name vragen rond het geloof van mensen met lichamelijke of verstandelijke beperkingen.

Leave a Reply