Deze post is de schriftelijke versie van een bijdrage aan het symposium over het boek van Hans Burger op 20 september 2024 aan de TUU in Utrecht.
Congeniaal
Het moet natuurlijk een beetje spannend worden vandaag. U bent hier vast niet allemaal gekomen om alleen te horen hoe geweldig goed het boek is dat Hans heeft geschreven. U hoopt op een beetje vuurwerk. Misschien dat dat er toch nog wel gaat komen, maar ik wil toch beginnen met vooral mijn instemming te betuigen met de beweging die Hans in dit boek maakt, namelijk die van een epistemologische naar een soteriologische plaats van de Schriften in de christelijke theologie. Daarmee, en Hans geeft daar uitvoerig woorden aan, verwerkt hij de erfenis van de moderniteit met daarin de Reformatie wat betreft haar effecten op de omgang met de Schrift. Dat was en is hard nodig en daarin vindt hij zich ook congeniaal met heel veel theologen in binnen- en buitenland.
Ik durf ook gerust de stelling aan dat deze beweging van epistemologie naar soteriologie een kenmerk van orthodoxie mag heten. Ik weet wel, en precies daarom zeg ik het ook zo expliciet vandaag, dat er in de kerken in Nederland, wellicht ook nog in de NGK, maar zeker ook ter rechterzijde daarvan, stemmen zijn die het omgekeerde beweren. Die zullen misschien zeggen dat hier het enige kenmerk van orthodoxie verlaten wordt, een hellend vlak wordt opgegaan en de deur opengedaan voor zogenaamde ‘nieuwe hermeneutiek’, maar dat is pertinent niet waar.
Het mag verleidelijk klinken, jezelf helemaal vastklampen aan een Bijbel die je onfeilbaar noemt, maar waaruit je het grootste gedeelte doet noch gelooft; we moeten echter als christelijke theologen daartegenover de durf hebben om te belijden dat we in de drie-enige God geloven en niet in het boek de Bijbel. Ons zo aan een boek vastklampen heeft funeste gevolgen voor de kernovertuigingen van ons geloof. Het effect is dat we vergeten bescheiden over onze Godskennis te spreken, vergeten onze ethische principes van die van God te onderscheiden en vergeten om onze diepe val in Adam ook op onze theologie van toepassing te verklaren. Theologisch eindigt het in niet minder dan het scheppen van een god op aarde naast hem die alleen onze eer waard is, een grove overtreding van het tweede gebod van de Decaloog. Dat heeft heel weinig met orthodoxie en heel veel met conservatisme te maken. Het is de profetische taak van de christelijke theologie om tussen die twee scherp te onderscheiden.
Hans protesteert daar terecht tegen. Het gaat bij de Schriften die wij met dankbaarheid en in geloof van God ontvangen om de drie-enige God die door middel van deze Schriften tot ons spreekt en meer nog, ons in gemeenschap met hem opneemt.
Maar tot zover mijn instemming… Ik zal de mij toegemeten tijd toch vooral gebruiken om met Hans in gesprek te gaan, want ondanks mijn instemming met de hoofdstelling van het boek, zijn er nog genoeg onderwerpen waarover ik graag met hem van gedachten wissel.
Wat doen Dalferth en O’Donovan nu precies in het boek?
Ik begin met een op het eerste gezicht wellicht wat oppervlakkige observatie bij het boek en dan wel met name de hoofdstukken 4 en 5, respectievelijk over Dalferth en O’Donovan. Ik heb daar observaties en vragen bij, maar voor ik daarop inga, zal ik eerst even een laudatio voor Hans uitspreken want mijn observatie contrasteert daarmee.
Eén van de redenen waarom ik zo op Hans en zijn theologische werk gesteld ben, is de eenvoud van zijn theologisch werk. Die vind ik jaloersmakend en inspirerend. Het gaat in de theologie van Hans om Christus! In al die jaren waarin ik met hem in gesprek ben geweest en zijn werk gelezen heb, komt dat elke keer terug. Het heeft me echt geïnspireerd en doet dat nog steeds: het gaat om Christus, om in hem de gaan leven, met hem bekleed te worden, in de gemeenschap met hem te groeien.
Die eenvoud is niet alleen inhoudelijk sterk en spiritueel aanstekelijk, ze werkt vaak ook tekstueel heel sterk uit, heel toegankelijk. Dus toen ik bij hoofdstuk 4 was aangekomen en het grote trinitarische narratief verwachtte waarbinnen de Schriften hun plaats hebben, was ik teleurgesteld toen ik in plaats daarvan een heel theoretisch betoog over Dalferth moest lezen. Ik snapte ook lang niet altijd waarom dat nodig was. Hetzelfde gold voor het hoofdstuk over O’Donovan. Ik heb daar daarom de vraag bij: waarom waren die hoofdstukken, waarin je je zo uitvoerig tot hen verhoudt, eigenlijk nodig? Wat hebben Dalferth en O’Donovan je nu eigenlijk meer geboden dan je met je eigen woorden veel mooier en veel toegankelijker had kunnen zeggen (wat je later in het boek overigens ook doet)?
Zoals dat wel vaker gaat, had ik er later ook afterthoughts bij: zou Hans eigenlijk toch minder eenvoudig zijn dan ik dacht? Of nog iets ondeugender: zou het iets zeggen over wat Hans in dit boek óók doet, namelijk zich verhouden tot het theologische verleden, zowel van hemzelf als van de gereformeerde kerken? En is het daarom dat, op een rijtje, Dalferth, O’Donovan, Bavinck en ten slotte Klaas Schilder – steeds iets dichter bij zijn roots – prominent in het boek figureren? En als dat zo is, theologie is nu eenmaal vaak ook biografie, heeft dat dan geholpen of is het toch ook een beetje een stoorzender in het boek? Had het ook nog frank en vrijer gekund?
Geheel van de theologie
Op dit ogenblik houd ik mij bezig met de samenhang tussen de vakken binnen de wetenschappelijke theologie. Hoe kunnen die nauwer op elkaar ingrijpen. Ik heb het boek ook door die bril gelezen. Dat is ook niet zo vreemd. Ik houd me met dat thema bezig vanwege de vaststelling dat de oorspronkelijke logica onder de protestantse theologie – vanaf de zestiende eeuw feitelijk al, namelijk die vanuit een onfeilbare Schrift als bron en fundament, naar de theologische doordenking, eindigend in de toepassing in de praktijk – in de moderne theologie eigenlijk verloren is gegaan. Eigenlijk is er ook niets voor in de plaats gekomen, althans niet iets dat brede ingang heeft gevonden.
Hans verhoudt zich nu precies tot die gedachte van de Schrift als bron en fundament en wijst een epistemologische benadering van de Bijbel weliswaar niet helemaal af, maar relativeert hem wel. De vraag is dan wel wat er voor in de plaats komt, want het relativeren van die rol zorgt er wel voor dat de samenhang tussen de verschillende vakken binnen de theologie, verloren gaat. Wat betekent het betoog van Hans dan voor de theologische encyclopedie?
In de eerste plaats de consequenties van zijn christocentrische benadering van de Bijbel voor de exegetische vakken. Daarbij is het natuurlijk één ding wat Hans daarvan vindt, maar een heel ander ding of zijn voorstel in het dagelijkse werk van de exegetische collega’s zo resoneert dat ze hun werk vanuit zijn metaperspectief zouden kunnen doen. Het zal heel sterk afhangen van de vraag wie de exegeten zijn, denk ik, maar ik kan me de kritische vragen wel voorstellen: slaan we de hele Bijbel, met alle diversiteit aan materiaal, tradities, overtuigingen, niet heel makkelijk plat tot een bepaalde theologie die over de Bijbel heengelegd wordt? Wat blijft er zo nog over van de Bijbel als kritische tegenstem? Dat wordt door Hans met de lippen zeker beaamd en zeker ook bedoeld, maar zoals we allemaal wel weten zijn er net zoveel perspectieven op Bijbelse teksten mogelijk als er mensen zijn. Ook als we met de oprechtste intenties waanzinnig door een Bijbeltekst verrast zijn, komt er meestal iets uit dat erg goed in ons straatje past. Als we in elkaars aanwezigheid al zo slecht naar elkaar kunnen luisteren, hoe moeten we dan echt horen wat iemand zegt die vanuit duizenden jaren geleden iets tegen ons probeert te zeggen? Wordt het grote verhaal waarbinnen Hans de Bijbel situeert dan niet een soort dwangbuis die een unverfroren exegese moeilijk maakt?
Richting de praktische theologie komen ook interessante vragen op. De trend in de praktische theologie is toch om het vertrekpunt te nemen in het geleefde geloof, streng methodisch verantwoord onderzocht met behulp van empirische onderzoeksmethoden. En dan is Hans’ voorstel wel weer heel normatief. Gaat de grand narrative die moest helpen om van een fundamentalistische Bijbel af te komen, dan toch niet heel erg als stoorzender werken? Dat grote verhaal is zo normatief dat het een zelfstandige rol voor de praktijk als bron van openbaring moeilijk lijkt te maken. Dat zou op z’n minst nadere doordenking vragen. Het roept direct weer interessante vragen op, want hoe verhoudt zich de christocentrische benadering van de Bijbel eigenlijk precies tot de vraag naar andere kenbronnen dan de Bijbel? Als het om soteriologische hermeneutiek gaat, kan dat dan ook hermeneutiek zijn van een gelovige praktijk? En staat die dan op hetzelfde niveau als de Schrift als bron? Waarom wel of waarom niet? Die vraag zou Hans zomaar kunnen triggeren om de epistemologische rol van de Schrift weer zwaarder aan te zetten, dus ik ben heel benieuwd naar zijn antwoord!
Het sacrament verandert alles
Dat leidt tot mijn laatste punt: ik mis het sacrament. Weliswaar komt de Bijbel als sacrament in de hoofdstukken 7 en 8 wel ter sprake en wordt in dat hoofdstuk de eucharistie ook een paar keer in het voorbijgaan genoemd, maar verder komen de sacramenten, doop noch avondmaal, prominent in het boek voor. Daardoor heb ik de indruk dat Hans op een bepaalde manier toch een beetje in dat blijft hangen, waartegen hij zich zo verzet. Het gaat uiteindelijk toch allemaal over de Bijbel. Het gaat toch vooral over gedachten, over verhalen, over openbaring, over kennis van God. Weliswaar doet Hans hier en daar pogingen om het affectieve, lijfelijke en materiële karakter van onze omgang met de Schrift in zijn betoog mee te nemen, maar het blijft toch allemaal erg in ons hoofd zitten en daarmee blijft de epistemische trek waartegen hij zich verzet, toch het discours domineren.
Ik kan me de reply voorstellen: ja zeg, dit is een boek over de Schrift binnen een trinitarische soterologische hermeneutiek, moet er dan ook nog weer een sacramentologie bij? Op zich snap ik dat verweer, maar ik bedoel eigenlijk dat ik een centrale rol mis voor de sacramenten als het gaat om de soteriologische hermeneutiek die Hans voorstaat. En het ligt zo voor de hand! Als het om Christus gaat, om ons in hem zijn en worden, om onze gelijkvormigheid aan hem, hoe kan het dan NIET om het sacrament gaan, zou je kunnen zeggen.
Laat ik het eens boud uitdrukken: zou het kunnen zijn dat één keer avondmaal vieren ons meer van, uit en over Christus kan leren dan een heel jaar Bijbellezen? Het is één ding om met Dalferth te zeggen dat de Bijbel toch vooral een plek heeft in de liturgie, maar het is nog iets heel anders om te zeggen dat onze primaire band met en participatie in Christus via de sacramenten verloopt en die band pas in secundaire zin versterkt wordt door onze ontmoeting met de Schriften. Een oplettende luisteraar zal hier een omkering in horen van iets dat in de Heidelbergse Catechismus staat en dat doe ik bewust. Het gaat uiteindelijk niet om een cognitieve of gevoelige band met Christus, maar om het daadwerkelijk met hem één lichaam worden, samen met alle heiligen. Daarom is het marginaliseren van het sacrament van de eucharistie ook zo fnuikend voor de protestantse traditie. Het is niet minder dan het doorsnijden van de navelstreng die ons met Christus verbonden houdt. Het is maar goed dat de Allerhoogste zelfs nog om zulke grote theologische vergissingen heen werkt, anders waren we allang verloren.
En dat dan toegepast op een alternatieve epistemologie, tegen de moderniteit in: niet taal, kennis en brein, tekst zijn primair in onze toegang tot de wereld. Ons meest fundamentele ‘kennen’ vindt niet plaats door kennis, maar door aanraking. Voordat we hebben leren praten, zijn we in de baarmoeder al door onze moeder omsloten en gevoed. Misschien dat een door mannen gedomineerde theologie dat toch elke keer weer vergeet omdat wij geen baarmoeder hebben en geen kinderen dragen. Zelfs als we in de baarmoeder onze vader en moeder horen praten, horen we ze zonder te weten wat ze zeggen. We horen hun stem, als geluid, als klank, als muziek in onze oren! We voelen hun warmte en later zien we hun gezicht en ervaren hun liefde. Allemaal zonder nog een woord te kunnen verstaan of zeggen. En zo, zou ik willen zeggen, is ook onze band met Christus. Ze is eerst en vooral als die van een foetus in de baarmoeder. Dat wat daar allemaal aan kennis en gepraat op volgt is hoogstens anders, maar het wordt nooit meer. Onze broer of zus in de Heer met een verstandeljike beperking die met ons aan de maaltijd van de Heer deelneemt, is geen millimeter verder van de Heer verwijderd dan professoren in de theologie. Integendeel, zoals Christus zelf ons zegt, het is voor de wijzen en verstandigen verborgen en wordt aan de kinderen geopenbaard. En zo eindigen we ook allemaal weer, als we ouder wordend stapje voor stapje onze kracht moeten afleggen en ook zo Christus in zijn dood gelijkvormig worden, om eindelijk met hem door de dood heen op te staan tot eeuwig leven.
Dat doet vervolgens namelijk ook weer heel veel met die rol van de Schriften. Daarin verraadt zich ook onze verschillende achtergrond, de mijne bevindelijk en die van Hans neocalvinistisch. Gaat het bij onze ontmoeting met de Schriften nu in de eerste plaats over wat er staat, over kennis, over een verhaal? Of gaat het ook nog om iets anders? In mijn ouderlijk huis werd nauwelijks over de schriftlezing gesproken, over wat er stond. Het was een je stellen in de tegenwoordigheid van de Heer. Het was een sacrament – overigens een displaced sacrament – dat zal ik direct erkennen, maar toch ook een sacrament in de ware zin des woords.
En heeft dat niet ook een heel goede zin die voor mij allerlei verschillende en misschien op het eerste gezicht tegenstrijdige dingen betekent. In de eerste plaats betekent het voor mij aandacht voor allerlei aspecten van de omgang met de Schrift die ver voorbij het cognitieve liggen. Om een familieanecdote te noemen die dat voor mij heel mooi uitdrukt. Mijn vader is overleden aan een vorm van dementie. Die ziekte verliep in zijn geval heel hortend en stotend, dus hij was ook in een gevorderd stadium vaak nog tot van alles in staat. Zo bleef hij ook heel lang uit de Bijbel lezen na het eten. In een bepaalde fase, als hij dan uit de Bijbel las, als er een passage was waarin iets over God werd uitgesproken, dan stokte zijn stem, dan ontroerde hij. Het was net of de Geest vaardig over hem werd en hem aanraakte. Als ik dan tijdens de afwas probeerde daarover met hem in gesprek te komen, was dat niet mogelijk. Dat is ook de Schrift, nu vanuit het perspectief van een disability theology, maar disabled zijn we allemaal.
Maar nu helemaal in de andere richting. Het betekent voor mij ook dat ik heel ruw met de Bijbel omga in mijn preken. Ik hoef niet krampachtig per se Christus te vinden in een tekst uit het OT, al schuw ik een christologische duiding ook niet per se. Ik hoef de tekst zelfs niet per se gelijk te geven. Soms bestaat mijn hermeneutiek uit het heel hard schudden aan de tekst omdat ik er niet mee uit de voeten kan. Niet dat ik dat per se graag doe, maar soms is het onvermijdelijk.
En ik denk dat ik dat durf omdat ik geloof dat het desondanks het boek van God blijft, maar in al de ruwheid en brokkeligheid waarin de Schriften ons zijn overgeleverd. En ik durf het ook omdat onze toegang tot God niet primair van de Bijbel afhankelijk is. Mijn in Christus ingedoopt zijn en in brood en wijn deelhebben aan het ware lichaam en bloed van de Heer is een veel robuustere band met de drie-enige God dan het lezen van de Bijbel. Het horen uit en lezen van de Bijbel begeleidt me, leidt me toe, in de eredienst, naar het sacrament, maar kan dat sacrament niet vervangen.

Leave a Reply